Sprookjes

Vadersnaam

Vadim zag Shahnoza Karimova voor het eerst in een rechthoekje in Teams.

De vergadering was in het Russisch. De opdrachtgever kwam uit Tasjkent, en Vadim was om twee redenen op het project gezet: expertise die niemand anders in het bedrijf op dit gebied had, en de taal. Russisch was nog altijd zijn moedertaal, en sinds het begin van de oorlog deed dat hem steeds minder plezier.

In één venster zat een vergaderzaal in Tasjkent met vijf mensen, in de andere vensters zaten losse deelnemers. In de vergaderzaal sprak men elkaar aan met voornaam en vadersnaam: Rustam Ilchomovitsj, Dilnoza Chamidovna, Bachtijor Erkinovitsj. Vadim nam het met afstandelijke belangstelling waar. In zijn eigen leven was de vadersnaam allang afgeschaft, en dan nog officieel. Hemzelf noemden ze gewoon ‘Vadim’, zoals het een westerse opdrachtnemer past, en dat vond hij prima.

De baas had hij binnen een minuut gevonden. Rustam Ilchomovitsj was het slordigst gekleed van allemaal: overhemd met open kraag, geen colbert. Hij zat achterovergeleund, de handen gevouwen op zijn buik, het hoofd iets schuin, en keek naar de anderen zoals de eigenaar van een kippenboerderij naar de kippen in de ren kijkt: met een glimlach waarin zorg niet te onderscheiden was van eieren tellen. Hij zei weinig. De anderen keken naar hem als ze aan een zin begonnen.

Shahnoza was ingelogd vanuit haar eigen venster, ergens anders, en alleen zij werd gewoon bij haar voornaam genoemd. Vadim vertegenwoordigde zijn kant van het project, zij de opdrachtgever. Voor de vergadering had hij de deelnemerslijst doorgenomen en alleen de functies onthouden. Na twintig minuten moest hij ook haar onthouden.

Ze stelde weinig vragen, maar twee keer hield ze de discussie tegen, precies op het punt waar de anderen al wilden instemmen. Eerst vroeg ze wat er precies als uitgangsvoorwaarde gold. Daarna waarom een beperking die iedereen technisch noemde als technisch werd beschouwd, als ze uit de contractvoorwaarden voortkwam.

Vadim antwoordde. Zij vroeg door. Hij antwoordde opnieuw.

Rustam Ilchomovitsj bewoog voor het eerst die vergadering: hij haalde zijn handen van zijn buik en knikte kort, met zijn blik ergens in de richting van haar venster.

‘Goed,’ zei Shahnoza. ‘Dan zijn het verschillende problemen. Iemand heeft ze om de een of andere reden in dezelfde tabel gezet.’

Vadim keek naar de tabel. Ze had gelijk.

Toen het gesprek naar organisatorische zaken afdwaalde, deed Shahnoza nauwelijks nog mee: ze zat een beetje naast de camera, maakte aantekeningen, keek af en toe naar een tweede scherm. Aan het eind vroeg Bachtijor Erkinovitsj, die het project aan de kant van de opdrachtgever leidde, wie volgende week waar zou zijn.

‘Ik zit voorlopig in Brussel,’ zei Shahnoza.

Vadim keek op.

‘U bent in Brussel? Dan is het nogal vreemd dat we via Teams praten.’

‘Dat is het een beetje.’

‘Laten we afspreken. We moeten de invoergegevens toch doornemen, en dan kunnen we meteen uitzoeken welke vragen technisch zijn en welke contractueel.’

‘Goed.’

Op dinsdag waren ze allebei vrij na zessen. Tien minuten later kreeg Vadim een uitnodiging voor een restaurant bij het Luxemburgplein en ging hij weer aan het werk.

Tegen de avond herinnerde hij zich haar zin over de tabel.

Hij had de gewoonte zich voor te bereiden op ontmoetingen met mensen van wie het verloop van een project afhing. Een functie zegt minder over iemand dan men denkt, en voor Vadim was het belangrijker te begrijpen hoe iemand beslissingen neemt. De een heeft cijfers nodig, de ander de conclusie in de eerste alinea, een derde wil eerst het risico zien, een vierde de kans. Hetzelfde technische materiaal kun je op vijf manieren laten zien, en dan krijg je vijf verschillende gesprekken.

Hij opende haar profiel. Shahnoza Karimova. Een aantal jaren bij een internationaal bedrijf, daarvoor consultancy, nog eerder een groot infrastructuurproject. De opleiding was onverwacht: Tasjkent, daarna Rusland, daarna een programma in Europa. Op de pagina van de universiteit stond niets bruikbaars, maar na een kwartier zoeken vond hij de opname van een oude conferentie, anderhalf uur, Shahnoza als derde spreker.

De eerste twee minuten luisterde hij op dubbele snelheid, daarna zette hij het terug op normaal. Het onderwerp stond ver van hun project af, en hoe diep ze in het technische deel doordrong, begreep hij vrijwel meteen. Toch keek hij de video uit. Ze sprak zonder effecten, stopte soms midden in een zin en bouwde die opnieuw op, ging twee keer terug naar een dia die ze al had laten zien. Als het model te weinig gegevens had, zei ze dat. Als de zaal een aanname tot conclusie probeerde te maken, corrigeerde ze.

Aan het eind kreeg ze een vraag die duidelijk bedoeld was om de deskundigheid van de vraagsteller te tonen. Vadim had al een antwoord klaar. Shahnoza antwoordde anders: ze gaf een deel van het bezwaar toe en vroeg wat er in de praktijk zou veranderen als het voorgestelde alternatief werd aangenomen. De man begon uit te leggen, en na een minuut bleek dat er niets zou veranderen.

‘Dan is het een goede opmerking over het model, maar een slechte opmerking over de beslissing,’ zei Shahnoza.

Vadim zette de video stil, spoelde terug en luisterde nog een keer.

Daarna opende hij een artikel van haar, en nog een, dat helemaal niets meer met het project te maken had. Om tien uur ’s avonds zat hij thuis gebogen over een acht jaar oude tekst over de verdeling van onzekerheid bij investeringsbeslissingen. Voor dinsdag had hij dat niet nodig. Hij las hem uit.

De volgende dag ging op aan werk. Om vijf uur kwam er een mail van Shahnoza: drie korte vragen, geen enkele overbodige zin. Bij een ervan zat Vadim een minuut naar het scherm te kijken voordat hij begreep waarom ze die had gesteld. De berekening interesseerde haar weinig; ze controleerde waar ze de systeemgrens legden.

Hij antwoordde en opende de zoekmachine weer, zonder zichzelf nog uit te leggen waarom.

Tussen de oude resultaten zat een foto van een universitaire conferentie: Shahnoza, een jaar of vijftien jonger, derde rij, in een veel te grote groene jas, blik ergens links van de camera. Onder de foto stond de lijst met deelnemers. Shahnoza Karimova.

Bij de naam bleef Vadim hangen. Tasjkent, een ongeveer te raden geboortejaar, een Sovjetgezin of in elk geval een nog Sovjetsysteem van documenten. In de vergadering was iedereen met zijn vadersnaam aangesproken, behalve zij. Ook hier ontbrak die.

Hij had er niets aan. Het ontbreken ervan viel gewoon op.

Vadim had met de vadersnaam zijn eigen geschiedenis. Toen hij genaturaliseerd werd, nam de gemeenteambtenaar de gegevens over uit een beëdigde vertaling van zijn Sovjetgeboorteakte. De vertaler had de Nederlandse regels gevolgd, en op de identiteitskaart verscheen: Vadim Nikolajevitsj Morozov. Nikolajevitsj werd een tweede voornaam.

De bank werkte in het Frans en gaf een kaart uit op naam van Vadim Nikolaïevitch Morozov. De verzekeraar nam de gegevens over uit zijn oude paspoort en schreef Nikolaevich. De luchtvaartmaatschappij liet het trema vallen en plakte alles aan elkaar tot VADIMNIKOLAIEVITCH, en de medewerkster bij het instappen in Genève zat vijf minuten dat te vergelijken met een paspoort waarin Nikolajevitsj stond. In de systemen op het werk paste de lange reeks niet in de velden: hier werd hij Vadim N. Morozov, daar besloot de software dat Nikolajevitsj zijn achternaam was. Drie spellingen van één woord, en geen enkel systeem beschouwde ze als één persoon. Elke afwijking kostte een brief, een telefoontje, soms een notaris.

‘Meneer Nikolajevitsj?’ vroeg een medewerker aan de telefoon eens, terwijl hij plichtsgetrouw alle medeklinkers uitsprak.

‘Bijna,’ zei Vadim.

Niemand in het land gebruikte vadersnamen, en niemand begreep wat dat woord in zijn naam deed. Uiteindelijk was Vadim het beu om vreemden de opbouw van Oost-Europese namen uit te leggen, en hij begon een procedure voor naamswijziging. Het bleek veel moeilijker een woord uit je eigen naam te verwijderen dan het er per vergissing in te krijgen: aanvragen, oude documenten, een motivering, een officieel besluit en nog een paar stappen waarvan hij de zin allang vergeten was. Op de nieuwe identiteitskaart stond Vadim Morozov. Hij controleerde het een paar keer en borg de oude op in een map.

Sindsdien lette hij beter op de opbouw van namen dan de meeste mensen.

Shahnoza moest een vadersnaam hebben, tenzij haar familie er bewust van had afgezien. Een paar zoekvarianten leverden niets op. Toen dook er een oude Russischtalige publicatie op, ondertekend met ‘Sh. A. Karimova’, en die ‘A.’ kon van alles betekenen.

Nu was het een puzzel. Vadim zocht naar combinaties van achternaam, stad, universiteit en jaartallen. Anvar Karimov klopte qua leeftijd en stad, maar de achternaam was veel te gewoon; Vadim liet hem vallen en kwam tien minuten later bij hem terug. Er dook nog een vermelding op, daarna een krantenpagina met slecht herkende tekst, waar naast Anvar Karimov een dochter werd genoemd, zonder naam. Dan het universiteitsarchief, een conferentieprogramma en eindelijk een regel:

Shahnoza Anvarovna Karimova.

Vadim leunde achterover in zijn stoel.

‘Zo.’

Het klonk alsof hij het zich herinnerd had. Praktische waarde had de vondst niet.

Daarna begon het materiaal ketens te vormen: de universiteitspagina leidde naar een publicatie, de publicatie naar een conferentie, de conferentie naar een interview, en het cv veranderde geleidelijk in een biografie. Shahnoza was twee keer abrupt van vakgebied veranderd: de eerste keer aan het begin van haar loopbaan, de tweede keer toen niets haar meer dwong iets te veranderen. Een rechtstreekse verklaring was er niet, sporen wel. In het ene interview zei ze dat ze zich snel verveelde als er in het werk alleen nog optimalisering van het bekende overbleef. In het andere dat ze het moment mooi vond waarop je in een nieuw vakgebied slechte vragen moet stellen, omdat je goede nog niet kunt formuleren.

Vadim kende die fase. Hij was zelf een paar keer in vakgebieden terechtgekomen waar hij in het begin overkwam als iemand die het voor de hand liggende niet begreep. De meeste mensen probeerden zo snel mogelijk uit die toestand te komen. Hij hield ervan.

Toen vond hij een discussie over openbaar vervoer in de stad, meer dan tien jaar oud. Het vervoerbedrijf wilde op een aantal lijnen de avondfrequentie verlagen, van om het kwartier naar om het halfuur. De bussen reden halfleeg, en de logica leek waterdicht: half zoveel ritten, dezelfde reizigers, elke bus voller. Vadim las de onderbouwing en was het ermee eens.

Shahnoza niet. Bij een bus om het kwartier, schreef ze, loop je naar de halte zonder op de dienstregeling te kijken en wacht je gemiddeld zevenenhalve minuut. Bij een bus om het halfuur wacht je gemiddeld een kwartier, of je gaat je vertrek van huis op de bus afstemmen, en een rit van twintig minuten wordt een onderneming van veertig. Wie de auto kan nemen, neemt de auto. Er komen half zoveel ritten, en als meer dan de helft van de reizigers wegblijft, rijdt elke overgebleven bus leger dan voorheen. Het bedrijf ziet lege bussen en verlaagt de frequentie opnieuw. ‘Dit is de frequentieparadox. U bespaart op ritten en betaalt met reizigers.’

Vadim las het nog eens. Zijn ‘vanzelfsprekend’ rustte op één aanname: het aantal reizigers werd als een constante beschouwd, terwijl het zelf van de dienstregeling afhing. De discussie was twaalf jaar oud, tussen vreemden, over een stad waar hij nooit had gewoond. Hij las verder.

Een paar berichten later paste Shahnoza hetzelfde argument toe op een nachtlijn naar een ziekenhuiscomplex, en hier zag Vadim het gat eerder dan haar tegenstander. ’s Nachts rijden met die bus verpleegkundigen na hun dienst en mensen zonder auto. Ze kunnen nergens anders heen, ze wachten zo lang als nodig is, en er ontstaat geen spiraal. De tegenstander schreef precies dat in het volgende bericht.

Shahnoza was in die discussie veel scherper dan nu, soms onrechtvaardig. Eerst snauwde ze het bezwaar weg. De volgende dag schreef ze:

‘Ja. Hier hebt u gelijk. Ik rekende met de mensen die een keuze hebben.’

Zonder voorbehoud, en zonder te proberen van de bekentenis een nieuwe overwinning te maken.

Hij merkte dat hij verdacht vaak dacht: dat bevalt me.

Negen jaar geleden had iemand haar gevraagd waarom ze nog een Europese taal leerde als Engels voor het werk volstond. Ze antwoordde uitvoerig; Vadim was het met ongeveer de helft oneens en was tien minuten later al in gedachten met haar in discussie. Discussiëren bleek prettiger dan instemmen. Daarna kwamen aantekeningen over de architectuur van Centraal-Azië, over amateursterrenkunde, en een tekst over machinevertaling, al had ze zich daar beroepsmatig nooit mee beziggehouden. ‘De machine maakt fouten waar de tekst zelf niet weet wat hij wil zeggen,’ schreef ze.

‘Nee,’ zei Vadim tegen het scherm.

Volgende alinea.

‘Nou, goed dan.’

Nog een.

‘Nee, toch niet.’

Hij betrapte zich erop dat hij een vraag voor dinsdag formuleerde, en hield op. Dinsdag hadden ze een werkoverleg, en Shahnoza had geen idee dat hij haar oude discussies had gelezen.

Vadim klapte de laptop dicht. De volgende dag klapte hij hem weer open, zonder het nog voorbereiding te noemen.

Gedeelde interesses betekenden op zich niets. Wat telde, was dat Shahnoza zich door een onderwerp bewoog zoals hij: ze begon bij een praktische vraag en belandde een paar stappen later in de geschiedenis van een taal of in een allang vergeten technische norm. Als er naast de oorspronkelijke vraag een interessantere lag, stapte ze daarop over. Geleidelijk kreeg hij het gevoel dat de onderwerpen met zo iemand nooit opraakten en dat elk uitgeput onderwerp nieuwe voortbracht. Hij stelde zich een gesprek zonder agenda voor en besefte dat hij dat graag zou uitproberen.

Tegen vrijdag wist hij veel meer over haar dan hij van plan was geweest: Tomsk, de terugkeer naar Tasjkent, het nieuwe vertrek, vroege onderzoeksthema’s, namen van projecten die ze zich zelf misschien niet meer herinnerde, de naam van haar vader, een vadersnaam die ze in Europa niet gebruikte, en die groene jas. Hij wist ook hoe ze discussieerde en hoe ze zich vergiste. Dat laatste bleek belangrijk, want tot dan toe viel het beeld verdacht glad in elkaar.

Toen vond hij een professioneel conflict waarin Shahnoza er slecht vanaf kwam, althans in de eerste versie: categorisch, ze zette druk op een man die al was opgehouden met discussiëren en kon niet stoppen nadat ze haar gelijk had bewezen. Vadim las alles wat hij vond, twee keer. Een andere versie gaf de context: de tegenstander was daarvoor een paar keer persoonlijk geworden; een deel van zijn berichten was verwijderd, maar bleef bewaard in citaten. Dat verklaarde de scherpte, al praatte het die niet helemaal goed. Juist die onvolledige rechtvaardiging beviel hem het meest.

Er was ook een interview waarin ze vol zelfvertrouwen redeneerde over een onderwerp waar ze minder van wist dan ze dacht.

‘Kom nou,’ zei Vadim.

Aan het eind voegde ze er toch aan toe dat ze zich kon vergissen.

‘Te laat,’ zei Vadim, en hij lachte.

Een paar uur lang was de belangstelling weg, en hij voelde opluchting: een normaal mens, niet nodig om iets op te bouwen uit een toevallige ontmoeting. ’s Avonds herinnerde hij zich een argument van haar uit een heel andere discussie, dacht na over hoe ze op een tegenwerping zou reageren, en besefte dat hij weer aan haar dacht.

Tegen maandag gaf hij toe wat er was gebeurd. Er was geen moment geweest, geen grens waarachter de professionele belangstelling ophield. De vraag ‘hoe praat ik met haar?’ was gewoon ongemerkt vervangen door de vraag ‘zal ze me leuk vinden?’.

Het was een beetje dom. Ze hadden één keer gesproken, via een videogesprek, en daarna een paar mails uitgewisseld. Al het andere had hij samengesteld uit sporen die iemand in twintig jaar had achtergelaten. Vadim begreep het verschil tussen een mens en een model van een mens heel goed, en dat begrip hield het model er allerminst van af hem steeds beter te bevallen. Foto’s deden er allang niet meer toe. Een paar keer opende hij een tekst van haar, stelde zich van tevoren voor welke kant ze op zou gaan, en telkens zat hij er precies zoveel naast dat hij verder wilde lezen.

Daarna werd het zoeken ongemakkelijk. De vrouw met wie hij één keer via Teams had gesproken, had hem niets verteld over Tomsk of over haar vader. Zelf kende ze van hem, voor zover hij kon inschatten, de naam van zijn bedrijf, zijn functie en een paar feiten uit zijn loopbaan. De asymmetrie was onschuldig en toch onprettig. Hij had geen accounts gehackt, geen databanken gekocht, geen kennissen gebeld; alles lag open en bloot. Maar ‘dit is te vinden’ en ‘een normaal mens zou dit zoeken’ zijn verschillende uitspraken.

Vadim besloot niets meer te zoeken. Het besluit hield stand tot de avond: hij opende haar profiel nog één keer, vond niets nieuws en hield daarna echt op.

Op dinsdag kroop de dag voorbij. Het technische deel was klaar. Vadim stelde een korte lijst vragen op, schrapte er twee, voegde er één toe en ontdekte toen een nieuw probleem: hij moest nu ook letten op wat hij niet hoorde te weten. Als ze zei dat ze in Rusland had gestudeerd, mocht hij niet antwoorden: ‘Ja, in Tomsk.’ Als ze haar eerste baan noemde, mocht hij het project niet noemen. Als het over talen ging, mocht hij niet in discussie gaan met een tekst van negen jaar geleden.

Hij probeerde de grens van normale kennis te trekken. De bedrijfswebsite en LinkedIn: normaal. Een openbare lezing over het onderwerp van het project ook, een oud artikel waarschijnlijk ook. Het archief van een universitaire conferentie was al twijfelachtig, de naam van haar vader overbodig, de vadersnaam volstrekt overbodig.

Bij de vadersnaam bleef hij hangen. Shahnoza Anvarovna. Er zat iets grappigs in. Hij stelde zich voor dat hij het bij de ontmoeting zou zeggen, één kleine provocatie, zonder enige behoefte om te laten zien hoeveel hij had gezocht. Als ze verrast was, kon hij zeggen dat hij het in een oude publicatie had gevonden. Dat zou zelfs waar zijn.

Om zes uur klapte hij de laptop dicht en ging te voet, twintig minuten. Het restaurant bleek klein: een paar tafeltjes bij het raam, een bar, licht hout, stoelen te dicht op elkaar. Vadim was te vroeg, noemde de naam van de reservering, maar ging niet zitten en bleef bij de ingang staan. Er was net een korte bui gevallen; mensen kwamen binnen, klapten hun paraplu’s in, trokken hun jassen uit. Drie minuten voor zeven.

De afgelopen dagen had hij Shahnoza tientallen keren gezien: in het venster van een videogesprek, op een podium, op groepsfoto’s, in de groene jas, bij een of ander gebouw in Tasjkent. Pas nu kwam er een eenvoudige gedachte bij hem op: hij had haar nooit ontmoet. Al die dagen had er in zijn appartement iemand gewoond die er nooit was geweest. Nu zou de echte verschijnen, misschien heel anders.

Door het glas zag hij een vrouw langs de gevel lopen, en hij herkende haar meteen. Ze zag er bijna hetzelfde uit als bij het laatste videogesprek en helemaal anders dan op de foto’s: daar stond haar gezicht vast in één uitdrukking, nu liep ze snel, keek naar het huisnummer, wierp een blik naar binnen en zag Vadim. Hij stak zijn hand op.

Ze kwam binnen, trok haar jas uit, liep naar hem toe. Een seconde lang zaten ze allebei in de gewone onhandigheid van mensen die al met elkaar hebben gepraat maar elkaar nooit hebben ontmoet, en die nu een begroeting moeten kiezen die past bij hoe goed ze elkaar kennen.

Shahnoza stak als eerste haar hand uit. Vadim schudde die en stond zichzelf één ding toe:

‘Goedenavond, Shahnoza Anvarovna.’

Ze liet zijn hand niet los.

‘Goedenavond, Vadim.’

De pauze was kort. Net lang genoeg om hem te laten denken dat dat alles was.

‘Nikolajevitsj.’